Klimaatverandering > Vaak gestelde vragen
- Waarom spreekt men meestal alleen van CO2? Wat met de andere broeikasgassen?
- Welke activiteiten stoten het meest broeikasgassen uit?
- Wat is 'global dimming'?
- Wat is de rol van waterdamp?
- In welke mate wordt de klimaatverandering veroorzaakt door verandering in zonne-activiteit?
-
Waarom spreekt men meestal alleen van CO2? Wat met de andere broeikasgassen?
CO2 is het belangrijkste broeikasgas van menselijke oorsprong. Ook van nature komt CO2 in de atmosfeer voor, maar door ontbossing en door de verbranding van fossiele brandstof is daar op 100 jaar tijd al 30% bijgekomen. 60% van de klimaatverandering is te verklaren door toegenomen CO2-concentraties. Methaan is het tweede belangrijke broeikasgas. Dit draagt wereldwijd voor zo'n 20% bij aan het versterkt broeikaseffect. Een grote bron van methaan is de veeteelt. Methaan komt vrij uit de magen van herkauwers, zoals koeien. Andere grote bronnen van methaan zijn vuilstortplaatsen, rijstbouw en de verliezen bij de olie- en gaswinning. Een andere bron van methaan is moerasgas. Lachgas (N2O) of stikstofmonoxyde is een derde belangrijk menselijk broeikasgas. Net als bij methaan is de uitstoot relatief klein. Maar één molecuul N2O blijft wel 150 jaar in de atmosfeer. Het broeikaseffect is 310 keer sterker dan dat van koolstofdioxide. Lachgas komt onder andere vrij bij de verbranding van fossiele brandstoffen, en wordt gebruikt bij de productie van kunststoffen en chemische meststoffen. Andere broeikasgassen die in het Kyoto-protocol opgenomen zijn de fluorverbindingen: HFK's, PFK's, en SF6.
Om de invloed van de verschillende broeikasgassen te kunnen optellen en te vergelijken, wordt het effect van die stoffen uitgedrukt in CO2-equivalent. Er wordt met andere woorden gezegd hoeveel CO2 er zou nodig zijn om eenzelfde opwarmingseffect te bereiken.
Daarbij moet niet alleen rekening gehouden worden met de eigenschap van het gas, maar ook met de verblijfsduur ervan in de atmosfeer. Meestal wordt de 'global warming potential' berekend voor een tijdshorizon van 100 jaar. Men berekent met andere woorden het 'opwarmingspotentieel' tussen het moment van de uitstoot, en de 100 jaar erna. De 'global warming potential' van CO2 wordt daarbij als 1 gerekend.
Als in de pers en in de omgang over CO2 gesproken wordt ('onze CO2-uitstoot moet omlaag', 'Vlaanderen stoot 90 Mton CO2 uit') wordt eigenlijk CO2-equivalenten bedoeld.
De meeste stoffen hebben een veel groter effect dan CO2, maar omdat de concentraties ervan zo laag liggen, is de totale impact van CO2 toch veel groter. Ongeveer 84% van de 'CO2-equivalenten' die Vlaanderen uitstoot is CO2.
Het IPCC gebruikt voor de omrekening van broeikasgassen naar CO2-equivalenten de volgende waarden:

-
Welke activiteiten stoten het meest broeikasgassen uit?

Op deze grafiek zie je welke sectoren verantwoordelijk zijn voor de Belgische uitstoot. Onder 'omvorming van energie' wordt elektriciteitsproductie verstaan. Daar wordt de energie (van kolen, gas,...) omgezet in elektriciteit. Het valt op dat de elektriciteit, verwarming en transport in grote mate verantwoordelijk zijn voor de uitstoot van broeikasgassen. Het aandeel van de Vlaamse gezinnen is daarbij aanzienlijk.
-
Wat is 'global dimming'?
Menselijke activiteiten brengen niet alleen broeikasgassen in de atmosfeer, maar stofdeeltjes. En ook die kunnen het klimaat beïnvloeden. Verbranding van zwavelhoudende fossiele brandstoffen geven witte stofdeeltjes die het klimaat afkoelen omdat ze het zonlicht reflecteren. Verbranding van dieselolie en biomassa (hout e.d.) geeft zwarte roetdeeltjes die zonlicht absorberen en dus een opwarmend effect hebben. Die neergeslagen roetdeeltjes verlagen ook het reflecterend vermogen van sneeuw, met een opwarmend effect dus. Stofdeeltjes hebben ook invloed op wolkenvorming, met een overwegend afkoelende werking. Over de sterkte van het afkoelend effect van stofdeeltjes bestaat discussie. Maar men is het er grotendeels over eens dat deze stofdeeltjes het broeikaseffect in de laatste 50 jaar ten dele hebben getemperd.
-
Wat is de rol van waterdamp?
Waterdamp is een belangrijk broeikasgas. Er wordt geschat dat waterdamp tot 66% van het (natuurlijk) broeikaseffect veroorzaakt. Zonder dat natuurlijk broeikasseffect zou het op aarde gemiddeld -18 graden °C zijn, in plaats van de huidige 15° C.
De mens heeft geen rechtstreeks invloed op de hoeveelheid waterdamp in de atmosfeer. Wel een onrechtstreekse. Door menselijk toedoen stijgen de concentraties van broeikasgassen als koolfstofdioxide of CO2, methaan of CH4 en lachgas (N2O) of stikstofmonoxyde. Door de toename van die broeikasgassen stijgt de temperatuur op aarde, en dus stijgt ook de hoeveelheid atmosferische waterdamp, wat dan weer een verdere stijging van de temperatuur tot gevolg heeft... Het effect van toenemende waterdamp in de atmosfeer is volledig in rekening gebracht in de rapporten van het IPCC.
-
In welke mate wordt de klimaatverandering veroorzaakt door verandering in zonne-activiteit?
De variaties in de kracht van de zon zijn verantwoordelijk geweest voor ongeveer 0,15 °C van de temperatuurstijging van 0,4 °C in de eerste helft van de 20ste eeuw. Daarna was de zonne-invloed marginaal. Voor zover de kennis nu reikt is de zon dus een belangrijke maar niet een overheersende factor voor klimaatveranderingen.